Conjugation of waarzeggen
/ˈʋaːrˌzɛ.ɣə(n)/voorspellingen over de toekomst uiten op grond van intuïtie of bovennatuurlijke interventie Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | waarzeg |
| jij / je | waarzegt |
| hij / zij / het | waarzegt |
| wij / we | waarzeggen |
| jullie | waarzeggen |
| zij / ze | waarzeggen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | waarzegde |
| jij / je | waarzegde |
| hij / zij / het | waarzegde |
| wij / we | waarzegden |
| jullie | waarzegden |
| zij / ze | waarzegden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | waarzegge |
| jij / je | waarzegge |
| hij / zij / het | waarzegge |
| wij / we | waarzeggen |
| jullie | waarzeggen |
| zij / ze | waarzeggen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | waarzegde |
| jij / je | waarzegde |
| hij / zij / het | waarzegde |
| wij / we | waarzegden |
| jullie | waarzegden |
| zij / ze | waarzegden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | waarzeg |
| jullie (archaïsch) | waarzegt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | waarzeggen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | waarzeggend |
Voltooid deelwoord
| — | gewaarzegd |