HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← vrezen — definition

Conjugation of vrezen

Regular CEFR B2
ˈvreː.zə(n)

bang zijn, angst hebben Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik vrees
jij / je vreest
hij / zij / het vreest
wij / we vrezen
jullie vrezen
zij / ze vrezen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik vreesde
jij / je vreesde
hij / zij / het vreesde
wij / we vreesden
jullie vreesden
zij / ze vreesden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik vreze
jij / je vreze
hij / zij / het vreze
wij / we vrezen
jullie vrezen
zij / ze vrezen
Aanvoegende wijs — verleden
ik vreesde
jij / je vreesde
hij / zij / het vreesde
wij / we vreesden
jullie vreesden
zij / ze vreesden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij vrees
jullie (archaïsch) vreest

Onbepaalde vormen

Infinitief
vrezen
Tegenwoordig deelwoord
vrezend
Voltooid deelwoord
gevreesd

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary