Conjugation of voorzeggen
/ˈvoːrˌzɛ.ɣə(n)/stiekem iemand vertellen wat het antwoord op een vraag is die aan die persoon gesteld is Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | voorzeg |
| jij / je | voorzegt |
| hij / zij / het | voorzegt |
| wij / we | voorzeggen |
| jullie | voorzeggen |
| zij / ze | voorzeggen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | voorzei |
| jij / je | voorzei |
| hij / zij / het | voorzei |
| wij / we | voorzeiden |
| jullie | voorzeiden |
| zij / ze | voorzeiden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | voorzegge |
| jij / je | voorzegge |
| hij / zij / het | voorzegge |
| wij / we | voorzeggen |
| jullie | voorzeggen |
| zij / ze | voorzeggen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | voorzeide |
| jij / je | voorzeide |
| hij / zij / het | voorzeide |
| wij / we | voorzeiden |
| jullie | voorzeiden |
| zij / ze | voorzeiden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | voorzeg |
| jullie (archaïsch) | voorzegt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | voorzeggen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | voorzeggend |
Voltooid deelwoord
| — | voorzegd |