Conjugation of voorvoelen
/ˌvoːrˈvu.lə(n)/verwachten hoe iets in de toekomst zal gaan Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | voorvoel |
| jij / je | voorvoelt |
| hij / zij / het | voorvoelt |
| wij / we | voorvoelen |
| jullie | voorvoelen |
| zij / ze | voorvoelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | voorvoelde |
| jij / je | voorvoelde |
| hij / zij / het | voorvoelde |
| wij / we | voorvoelden |
| jullie | voorvoelden |
| zij / ze | voorvoelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | voorvoele |
| jij / je | voorvoele |
| hij / zij / het | voorvoele |
| wij / we | voorvoelen |
| jullie | voorvoelen |
| zij / ze | voorvoelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | voorvoelde |
| jij / je | voorvoelde |
| hij / zij / het | voorvoelde |
| wij / we | voorvoelden |
| jullie | voorvoelden |
| zij / ze | voorvoelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | voorvoel |
| jullie (archaïsch) | voorvoelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | voorvoelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | voorvoelend |
Voltooid deelwoord
| — | voorvoeld |