Conjugation of vierendelen
/ˈviː.rə(n)ˌdeː.lə(n)/iemand ter dood brengen door het lichaam in vier stukken uiteen te rijten, gewoonlijk tussen vier paarden ingespannen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | vierendeel |
| jij / je | vierendeelt |
| hij / zij / het | vierendeelt |
| wij / we | vierendelen |
| jullie | vierendelen |
| zij / ze | vierendelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | vierendeelde |
| jij / je | vierendeelde |
| hij / zij / het | vierendeelde |
| wij / we | vierendeelden |
| jullie | vierendeelden |
| zij / ze | vierendeelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | vierendele |
| jij / je | vierendele |
| hij / zij / het | vierendele |
| wij / we | vierendelen |
| jullie | vierendelen |
| zij / ze | vierendelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | vierendeelde |
| jij / je | vierendeelde |
| hij / zij / het | vierendeelde |
| wij / we | vierendeelden |
| jullie | vierendeelden |
| zij / ze | vierendeelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | vierendeel |
| jullie (archaïsch) | vierendeelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | vierendelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | vierendelend |
Voltooid deelwoord
| — | gevierendeeld |