Conjugation of verwelkomen
/vərˈʋɛlˌkoːmə(n)/iemand begroeten en welkom heten Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | verwelkom |
| jij / je | verwelkomt |
| hij / zij / het | verwelkomt |
| wij / we | verwelkomen |
| jullie | verwelkomen |
| zij / ze | verwelkomen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | verwelkomde |
| jij / je | verwelkomde |
| hij / zij / het | verwelkomde |
| wij / we | verwelkomden |
| jullie | verwelkomden |
| zij / ze | verwelkomden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | verwelkome |
| jij / je | verwelkome |
| hij / zij / het | verwelkome |
| wij / we | verwelkomen |
| jullie | verwelkomen |
| zij / ze | verwelkomen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | verwelkomde |
| jij / je | verwelkomde |
| hij / zij / het | verwelkomde |
| wij / we | verwelkomden |
| jullie | verwelkomden |
| zij / ze | verwelkomden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | verwelkom |
| jullie (archaïsch) | verwelkomt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | verwelkomen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | verwelkomend |
Voltooid deelwoord
| — | verwelkomd |