Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | vervroeg |
| jij / je | vervroegt |
| hij / zij / het | vervroegt |
| wij / we | vervroegen |
| jullie | vervroegen |
| zij / ze | vervroegen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | vervroegde |
| jij / je | vervroegde |
| hij / zij / het | vervroegde |
| wij / we | vervroegden |
| jullie | vervroegden |
| zij / ze | vervroegden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | vervroege |
| jij / je | vervroege |
| hij / zij / het | vervroege |
| wij / we | vervroegen |
| jullie | vervroegen |
| zij / ze | vervroegen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | vervroegde |
| jij / je | vervroegde |
| hij / zij / het | vervroegde |
| wij / we | vervroegden |
| jullie | vervroegden |
| zij / ze | vervroegden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | vervroeg |
| jullie (archaïsch) | vervroegt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | vervroegen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | vervroegend |
Voltooid deelwoord
| — | vervroegd |