Conjugation of vervoegen
/vərˈvu.ɣə(n)/omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | vervoeg |
| jij / je | vervoegt |
| hij / zij / het | vervoegt |
| wij / we | vervoegen |
| jullie | vervoegen |
| zij / ze | vervoegen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | vervoegde |
| jij / je | vervoegde |
| hij / zij / het | vervoegde |
| wij / we | vervoegden |
| jullie | vervoegden |
| zij / ze | vervoegden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | vervoege |
| jij / je | vervoege |
| hij / zij / het | vervoege |
| wij / we | vervoegen |
| jullie | vervoegen |
| zij / ze | vervoegen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | vervoegde |
| jij / je | vervoegde |
| hij / zij / het | vervoegde |
| wij / we | vervoegden |
| jullie | vervoegden |
| zij / ze | vervoegden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | vervoeg |
| jullie (archaïsch) | vervoegt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | vervoegen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | vervoegend |
Voltooid deelwoord
| — | vervoegd |