Conjugation of versleutelen
direct overgebrachte informatie door gebaar, schrift of spraak, dan wel overgebracht via een telecommunicatiekanaal, zodanig bewerken dat deze alleen begrijpelijk is als men de beschikking heeft over Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | versleutel |
| jij / je | versleutelt |
| hij / zij / het | versleutelt |
| wij / we | versleutelen |
| jullie | versleutelen |
| zij / ze | versleutelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | versleutelde |
| jij / je | versleutelde |
| hij / zij / het | versleutelde |
| wij / we | versleutelden |
| jullie | versleutelden |
| zij / ze | versleutelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | versleutele |
| jij / je | versleutele |
| hij / zij / het | versleutele |
| wij / we | versleutelen |
| jullie | versleutelen |
| zij / ze | versleutelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | versleutelde |
| jij / je | versleutelde |
| hij / zij / het | versleutelde |
| wij / we | versleutelden |
| jullie | versleutelden |
| zij / ze | versleutelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | versleutel |
| jullie (archaïsch) | versleutelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | versleutelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | versleutelend |
Voltooid deelwoord
| — | versleuteld |