Conjugation of verpersoonlijken
/vər.pərˈsoːn.lə.kə(n)/speciaal aanpassen op één bepaald persoon of één bepaalde doelgroep Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | verpersoonlijk |
| jij / je | verpersoonlijkt |
| hij / zij / het | verpersoonlijkt |
| wij / we | verpersoonlijken |
| jullie | verpersoonlijken |
| zij / ze | verpersoonlijken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | verpersoonlijkte |
| jij / je | verpersoonlijkte |
| hij / zij / het | verpersoonlijkte |
| wij / we | verpersoonlijkten |
| jullie | verpersoonlijkten |
| zij / ze | verpersoonlijkten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | verpersoonlijke |
| jij / je | verpersoonlijke |
| hij / zij / het | verpersoonlijke |
| wij / we | verpersoonlijken |
| jullie | verpersoonlijken |
| zij / ze | verpersoonlijken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | verpersoonlijkte |
| jij / je | verpersoonlijkte |
| hij / zij / het | verpersoonlijkte |
| wij / we | verpersoonlijkten |
| jullie | verpersoonlijkten |
| zij / ze | verpersoonlijkten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | verpersoonlijk |
| jullie (archaïsch) | verpersoonlijkt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | verpersoonlijken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | verpersoonlijkend |
Voltooid deelwoord
| — | verpersoonlijkt |