Conjugation of verpachten
/vər.ˈpɑχ.tə(n)/huur ontvangen voor het vergeven van het recht om een stuk land te gebruiken dat aan jouzelf toebehoort Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | verpacht |
| jij / je | verpacht |
| hij / zij / het | verpacht |
| wij / we | verpachten |
| jullie | verpachten |
| zij / ze | verpachten |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | verpachtte |
| jij / je | verpachtte |
| hij / zij / het | verpachtte |
| wij / we | verpachtten |
| jullie | verpachtten |
| zij / ze | verpachtten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | verpachte |
| jij / je | verpachte |
| hij / zij / het | verpachte |
| wij / we | verpachten |
| jullie | verpachten |
| zij / ze | verpachten |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | verpachtte |
| jij / je | verpachtte |
| hij / zij / het | verpachtte |
| wij / we | verpachtten |
| jullie | verpachtten |
| zij / ze | verpachtten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | verpacht |
| jullie (archaïsch) | verpacht |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | verpachten |
Tegenwoordig deelwoord
| — | verpachtend |
Voltooid deelwoord
| — | verpacht |