Conjugation of veroorzaken
/vərˈoːrˌzaːkə(n)/de oorzaak zijn van; een gevolg tot stand brengen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | veroorzaak |
| jij / je | veroorzaakt |
| hij / zij / het | veroorzaakt |
| wij / we | veroorzaken |
| jullie | veroorzaken |
| zij / ze | veroorzaken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | veroorzaakte |
| jij / je | veroorzaakte |
| hij / zij / het | veroorzaakte |
| wij / we | veroorzaakten |
| jullie | veroorzaakten |
| zij / ze | veroorzaakten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | veroorzake |
| jij / je | veroorzake |
| hij / zij / het | veroorzake |
| wij / we | veroorzaken |
| jullie | veroorzaken |
| zij / ze | veroorzaken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | veroorzaakte |
| jij / je | veroorzaakte |
| hij / zij / het | veroorzaakte |
| wij / we | veroorzaakten |
| jullie | veroorzaakten |
| zij / ze | veroorzaakten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | veroorzaak |
| jullie (archaïsch) | veroorzaakt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | veroorzaken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | veroorzakend |
Voltooid deelwoord
| — | veroorzaakt |