Conjugation of vergoelijken
/vər'xuləkə(n)/zaken die verkeerd zijn zo beschrijven dat ze goed lijken; rechtpraten wat krom is Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | vergoelijk |
| jij / je | vergoelijkt |
| hij / zij / het | vergoelijkt |
| wij / we | vergoelijken |
| jullie | vergoelijken |
| zij / ze | vergoelijken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | vergoelijkte |
| jij / je | vergoelijkte |
| hij / zij / het | vergoelijkte |
| wij / we | vergoelijkten |
| jullie | vergoelijkten |
| zij / ze | vergoelijkten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | vergoelijke |
| jij / je | vergoelijke |
| hij / zij / het | vergoelijke |
| wij / we | vergoelijken |
| jullie | vergoelijken |
| zij / ze | vergoelijken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | vergoelijkte |
| jij / je | vergoelijkte |
| hij / zij / het | vergoelijkte |
| wij / we | vergoelijkten |
| jullie | vergoelijkten |
| zij / ze | vergoelijkten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | vergoelijk |
| jullie (archaïsch) | vergoelijkt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | vergoelijken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | vergoelijkend |
Voltooid deelwoord
| — | vergoelijkt |