Conjugation of verantwoorden
/vəˈrɑntʋoːrdə(n)/zich ~: rekenschap afleggen, zich rechtvaardigen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | verantwoord |
| jij / je | verantwoordt |
| hij / zij / het | verantwoordt |
| wij / we | verantwoorden |
| jullie | verantwoorden |
| zij / ze | verantwoorden |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | verantwoordde |
| jij / je | verantwoordde |
| hij / zij / het | verantwoordde |
| wij / we | verantwoordden |
| jullie | verantwoordden |
| zij / ze | verantwoordden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | verantwoorde |
| jij / je | verantwoorde |
| hij / zij / het | verantwoorde |
| wij / we | verantwoorden |
| jullie | verantwoorden |
| zij / ze | verantwoorden |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | verantwoordde |
| jij / je | verantwoordde |
| hij / zij / het | verantwoordde |
| wij / we | verantwoordden |
| jullie | verantwoordden |
| zij / ze | verantwoordden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | verantwoord |
| jullie (archaïsch) | verantwoordt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | verantwoorden |
Tegenwoordig deelwoord
| — | verantwoordend |
Voltooid deelwoord
| — | verantwoord |