HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← trommelen — definition

Conjugation of trommelen

Regular CEFR C2

ritmisch op iets slaan Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik trommel
jij / je trommelt
hij / zij / het trommelt
wij / we trommelen
jullie trommelen
zij / ze trommelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik trommelde
jij / je trommelde
hij / zij / het trommelde
wij / we trommelden
jullie trommelden
zij / ze trommelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik trommele
jij / je trommele
hij / zij / het trommele
wij / we trommelen
jullie trommelen
zij / ze trommelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik trommelde
jij / je trommelde
hij / zij / het trommelde
wij / we trommelden
jullie trommelden
zij / ze trommelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij trommel
jullie (archaïsch) trommelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
trommelen
Tegenwoordig deelwoord
trommelend
Voltooid deelwoord
getrommeld

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary