HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← trillen — definition

Conjugation of trillen

Regular CEFR C1
ˈtrɪ.lə(n)

snel heen een weer bewegen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik tril
jij / je trilt
hij / zij / het trilt
wij / we trillen
jullie trillen
zij / ze trillen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik trilde
jij / je trilde
hij / zij / het trilde
wij / we trilden
jullie trilden
zij / ze trilden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik trille
jij / je trille
hij / zij / het trille
wij / we trillen
jullie trillen
zij / ze trillen
Aanvoegende wijs — verleden
ik trilde
jij / je trilde
hij / zij / het trilde
wij / we trilden
jullie trilden
zij / ze trilden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij tril
jullie (archaïsch) trilt

Onbepaalde vormen

Infinitief
trillen
Tegenwoordig deelwoord
trillend
Voltooid deelwoord
getrild

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary