Conjugation of transporteren
overbrengen, vervoeren: personen of objecten naar een andere plek brengen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | transporteer |
| jij / je | transporteert |
| hij / zij / het | transporteert |
| wij / we | transporteren |
| jullie | transporteren |
| zij / ze | transporteren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | transporteerde |
| jij / je | transporteerde |
| hij / zij / het | transporteerde |
| wij / we | transporteerden |
| jullie | transporteerden |
| zij / ze | transporteerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | transportere |
| jij / je | transportere |
| hij / zij / het | transportere |
| wij / we | transporteren |
| jullie | transporteren |
| zij / ze | transporteren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | transporteerde |
| jij / je | transporteerde |
| hij / zij / het | transporteerde |
| wij / we | transporteerden |
| jullie | transporteerden |
| zij / ze | transporteerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | transporteer |
| jullie (archaïsch) | transporteert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | transporteren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | transporterend |
Voltooid deelwoord
| — | getransporteerd |