HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← timen — definition

Conjugation of timen

Regular CEFR C2
ˈtɑjmə(n)

een tijdstip of tijdsduur precies vaststellen met een nauwkeurig uurwerk Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik time
jij / je timet
hij / zij / het timet
wij / we timen
jullie timen
zij / ze timen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik timede
jij / je timede
hij / zij / het timede
wij / we timeden
jullie timeden
zij / ze timeden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik time
jij / je time
hij / zij / het time
wij / we timen
jullie timen
zij / ze timen
Aanvoegende wijs — verleden
ik timede
jij / je timede
hij / zij / het timede
wij / we timeden
jullie timeden
zij / ze timeden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij time
jullie (archaïsch) timet

Onbepaalde vormen

Infinitief
timen
Tegenwoordig deelwoord
timend
Voltooid deelwoord
getimed

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary