HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← telefoneren — definition

Conjugation of telefoneren

Regular CEFR C2
ˌteːleːfoːˈneːrə(n)

een telefoon gebruiken Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik telefoneer
jij / je telefoneert
hij / zij / het telefoneert
wij / we telefoneren
jullie telefoneren
zij / ze telefoneren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik telefoneerde
jij / je telefoneerde
hij / zij / het telefoneerde
wij / we telefoneerden
jullie telefoneerden
zij / ze telefoneerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik telefonere
jij / je telefonere
hij / zij / het telefonere
wij / we telefoneren
jullie telefoneren
zij / ze telefoneren
Aanvoegende wijs — verleden
ik telefoneerde
jij / je telefoneerde
hij / zij / het telefoneerde
wij / we telefoneerden
jullie telefoneerden
zij / ze telefoneerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij telefoneer
jullie (archaïsch) telefoneert

Onbepaalde vormen

Infinitief
telefoneren
Tegenwoordig deelwoord
telefonerend
Voltooid deelwoord
getelefoneerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary