HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← tanen — definition

Conjugation of tanen

Regular CEFR B1
ˈtaː.nə(n)

verzwakken, afnemen, slinken, verflauwen, verminderen, aflopen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik taan
jij / je taant
hij / zij / het taant
wij / we tanen
jullie tanen
zij / ze tanen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik taande
jij / je taande
hij / zij / het taande
wij / we taanden
jullie taanden
zij / ze taanden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik tane
jij / je tane
hij / zij / het tane
wij / we tanen
jullie tanen
zij / ze tanen
Aanvoegende wijs — verleden
ik taande
jij / je taande
hij / zij / het taande
wij / we taanden
jullie taanden
zij / ze taanden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij taan
jullie (archaïsch) taant

Onbepaalde vormen

Infinitief
tanen
Tegenwoordig deelwoord
tanend
Voltooid deelwoord
getaand

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary