Conjugation of subsidiëren
/ˌsʏp.si.diˈeː.rə(n)/van overheidswege financiële hulp voor een bepaalde activiteit, ver- of aankoop verlenen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | subsidieer |
| jij / je | subsidieert |
| hij / zij / het | subsidieert |
| wij / we | subsidiëren |
| jullie | subsidiëren |
| zij / ze | subsidiëren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | subsidieerde |
| jij / je | subsidieerde |
| hij / zij / het | subsidieerde |
| wij / we | subsidieerden |
| jullie | subsidieerden |
| zij / ze | subsidieerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | subsidiëre |
| jij / je | subsidiëre |
| hij / zij / het | subsidiëre |
| wij / we | subsidiëren |
| jullie | subsidiëren |
| zij / ze | subsidiëren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | subsidieerde |
| jij / je | subsidieerde |
| hij / zij / het | subsidieerde |
| wij / we | subsidieerden |
| jullie | subsidieerden |
| zij / ze | subsidieerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | subsidieer |
| jullie (archaïsch) | subsidieert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | subsidiëren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | subsidiërend |
Voltooid deelwoord
| — | gesubsidieerd |