Conjugation of stigmatiseren
/ˌstɪx.maː.tiˈzeːrən/wonden toebrengen zoals Jesus deze tijdens zijn kruisiging verkreeg Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | stigmatiseer |
| jij / je | stigmatiseert |
| hij / zij / het | stigmatiseert |
| wij / we | stigmatiseren |
| jullie | stigmatiseren |
| zij / ze | stigmatiseren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | stigmatiseerde |
| jij / je | stigmatiseerde |
| hij / zij / het | stigmatiseerde |
| wij / we | stigmatiseerden |
| jullie | stigmatiseerden |
| zij / ze | stigmatiseerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | stigmatisere |
| jij / je | stigmatisere |
| hij / zij / het | stigmatisere |
| wij / we | stigmatiseren |
| jullie | stigmatiseren |
| zij / ze | stigmatiseren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | stigmatiseerde |
| jij / je | stigmatiseerde |
| hij / zij / het | stigmatiseerde |
| wij / we | stigmatiseerden |
| jullie | stigmatiseerden |
| zij / ze | stigmatiseerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | stigmatiseer |
| jullie (archaïsch) | stigmatiseert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | stigmatiseren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | stigmatiserend |
Voltooid deelwoord
| — | gestigmatiseerd |