HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← stapelen — definition

Conjugation of stapelen

Regular CEFR C2
ˈstaː.pə.lə(n)

boven op elkaar leggen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik stapel
jij / je stapelt
hij / zij / het stapelt
wij / we stapelen
jullie stapelen
zij / ze stapelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik stapelde
jij / je stapelde
hij / zij / het stapelde
wij / we stapelden
jullie stapelden
zij / ze stapelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik stapele
jij / je stapele
hij / zij / het stapele
wij / we stapelen
jullie stapelen
zij / ze stapelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik stapelde
jij / je stapelde
hij / zij / het stapelde
wij / we stapelden
jullie stapelden
zij / ze stapelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij stapel
jullie (archaïsch) stapelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
stapelen
Tegenwoordig deelwoord
stapelend
Voltooid deelwoord
gestapeld

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary