Conjugation of staken
/ˈstaː.kə(n)/een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | staak |
| jij / je | staakt |
| hij / zij / het | staakt |
| wij / we | staken |
| jullie | staken |
| zij / ze | staken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | staakte |
| jij / je | staakte |
| hij / zij / het | staakte |
| wij / we | staakten |
| jullie | staakten |
| zij / ze | staakten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | stake |
| jij / je | stake |
| hij / zij / het | stake |
| wij / we | staken |
| jullie | staken |
| zij / ze | staken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | staakte |
| jij / je | staakte |
| hij / zij / het | staakte |
| wij / we | staakten |
| jullie | staakten |
| zij / ze | staakten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | staak |
| jullie (archaïsch) | staakt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | staken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | stakend |
Voltooid deelwoord
| — | gestaakt |