HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← sporten — definición

Conjugation of sporten

Regular CEFR C1
/ˈspɔrtən/

aan sport doen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik sport
jij / je sport
hij / zij / het sport
wij / we sporten
jullie sporten
zij / ze sporten
Verleden tijd (o.v.t.)
ik sportte
jij / je sportte
hij / zij / het sportte
wij / we sportten
jullie sportten
zij / ze sportten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik sporte
jij / je sporte
hij / zij / het sporte
wij / we sporten
jullie sporten
zij / ze sporten
Aanvoegende wijs — verleden
ik sportte
jij / je sportte
hij / zij / het sportte
wij / we sportten
jullie sportten
zij / ze sportten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij sport
jullie (archaïsch) sport

Onbepaalde vormen

Infinitief
sporten
Tegenwoordig deelwoord
sportend
Voltooid deelwoord
gesport

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary