HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← speechen — definition

Conjugation of speechen

Regular CEFR C2
ˈspitʃə(n)

een speech houden. Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik speech
jij / je speecht
hij / zij / het speecht
wij / we speechen
jullie speechen
zij / ze speechen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik speechte
jij / je speechte
hij / zij / het speechte
wij / we speechten
jullie speechten
zij / ze speechten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik speeche
jij / je speeche
hij / zij / het speeche
wij / we speechen
jullie speechen
zij / ze speechen
Aanvoegende wijs — verleden
ik speechte
jij / je speechte
hij / zij / het speechte
wij / we speechten
jullie speechten
zij / ze speechten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij speech
jullie (archaïsch) speecht

Onbepaalde vormen

Infinitief
speechen
Tegenwoordig deelwoord
speechend
Voltooid deelwoord
gespeecht

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary