HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← snowboarden — definition

Conjugation of snowboarden

Regular CEFR C2
ˈsnoː.bɔːr.də(n)

met een snowboard van een berghelling of piste afglijden Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik snowboard
jij / je snowboardt
hij / zij / het snowboardt
wij / we snowboarden
jullie snowboarden
zij / ze snowboarden
Verleden tijd (o.v.t.)
ik snowboardde
jij / je snowboardde
hij / zij / het snowboardde
wij / we snowboardden
jullie snowboardden
zij / ze snowboardden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik snowboarde
jij / je snowboarde
hij / zij / het snowboarde
wij / we snowboarden
jullie snowboarden
zij / ze snowboarden
Aanvoegende wijs — verleden
ik snowboardde
jij / je snowboardde
hij / zij / het snowboardde
wij / we snowboardden
jullie snowboardden
zij / ze snowboardden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij snowboard
jullie (archaïsch) snowboardt

Onbepaalde vormen

Infinitief
snowboarden
Tegenwoordig deelwoord
snowboardend
Voltooid deelwoord
gesnowboard

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary