HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← snoezelen — definition

Conjugation of snoezelen

Regular CEFR B2
ˈsnu.zə.lə(n)

combinatie van snuffelen en doezelen een activiteit die prettig zou zijn voor dementerenden en verstandelijk gehandicapten Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik snoezel
jij / je snoezelt
hij / zij / het snoezelt
wij / we snoezelen
jullie snoezelen
zij / ze snoezelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik snoezelde
jij / je snoezelde
hij / zij / het snoezelde
wij / we snoezelden
jullie snoezelden
zij / ze snoezelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik snoezele
jij / je snoezele
hij / zij / het snoezele
wij / we snoezelen
jullie snoezelen
zij / ze snoezelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik snoezelde
jij / je snoezelde
hij / zij / het snoezelde
wij / we snoezelden
jullie snoezelden
zij / ze snoezelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij snoezel
jullie (archaïsch) snoezelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
snoezelen
Tegenwoordig deelwoord
snoezelend
Voltooid deelwoord
gesnoezeld

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary