HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← snoeren — definition

Conjugation of snoeren

Regular CEFR C2
ˈsnu.rə(n)

iets met een snoer vastmaken Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik snoer
jij / je snoert
hij / zij / het snoert
wij / we snoeren
jullie snoeren
zij / ze snoeren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik snoerde
jij / je snoerde
hij / zij / het snoerde
wij / we snoerden
jullie snoerden
zij / ze snoerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik snoere
jij / je snoere
hij / zij / het snoere
wij / we snoeren
jullie snoeren
zij / ze snoeren
Aanvoegende wijs — verleden
ik snoerde
jij / je snoerde
hij / zij / het snoerde
wij / we snoerden
jullie snoerden
zij / ze snoerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij snoer
jullie (archaïsch) snoert

Onbepaalde vormen

Infinitief
snoeren
Tegenwoordig deelwoord
snoerend
Voltooid deelwoord
gesnoerd

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary