HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← sleutelen — definición

Conjugation of sleutelen

Regular CEFR C2
/ˈsløː.tə.lə(n)/

met sleutels aan een auto, motor of ander machine werken, met name door de machine uit elkaar te halen en weer in elkaar te zetten Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik sleutel
jij / je sleutelt
hij / zij / het sleutelt
wij / we sleutelen
jullie sleutelen
zij / ze sleutelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik sleutelde
jij / je sleutelde
hij / zij / het sleutelde
wij / we sleutelden
jullie sleutelden
zij / ze sleutelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik sleutele
jij / je sleutele
hij / zij / het sleutele
wij / we sleutelen
jullie sleutelen
zij / ze sleutelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik sleutelde
jij / je sleutelde
hij / zij / het sleutelde
wij / we sleutelden
jullie sleutelden
zij / ze sleutelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij sleutel
jullie (archaïsch) sleutelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
sleutelen
Tegenwoordig deelwoord
sleutelend
Voltooid deelwoord
gesleuteld

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary