Conjugation of slaapwandelen
/ˈslaːpˌʋɑndələ(n)/onbewust daarvan rondwandelen in een toestand van slaap Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | slaapwandel |
| jij / je | slaapwandelt |
| hij / zij / het | slaapwandelt |
| wij / we | slaapwandelen |
| jullie | slaapwandelen |
| zij / ze | slaapwandelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | slaapwandelde |
| jij / je | slaapwandelde |
| hij / zij / het | slaapwandelde |
| wij / we | slaapwandelden |
| jullie | slaapwandelden |
| zij / ze | slaapwandelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | slaapwandele |
| jij / je | slaapwandele |
| hij / zij / het | slaapwandele |
| wij / we | slaapwandelen |
| jullie | slaapwandelen |
| zij / ze | slaapwandelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | slaapwandelde |
| jij / je | slaapwandelde |
| hij / zij / het | slaapwandelde |
| wij / we | slaapwandelden |
| jullie | slaapwandelden |
| zij / ze | slaapwandelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | slaapwandel |
| jullie (archaïsch) | slaapwandelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | slaapwandelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | slaapwandelend |
Voltooid deelwoord
| — | geslaapwandeld |