HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← skiën — definición

Conjugation of skiën

Regular CEFR C2
/ˈski.jə(n)/

zich over sneeuw ergens heen bewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik ski
jij / je skiet
hij / zij / het skiet
wij / we skiën
jullie skiën
zij / ze skiën
Verleden tijd (o.v.t.)
ik skiede
jij / je skiede
hij / zij / het skiede
wij / we skieden
jullie skieden
zij / ze skieden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik skië
jij / je skië
hij / zij / het skië
wij / we skiën
jullie skiën
zij / ze skiën
Aanvoegende wijs — verleden
ik skiede
jij / je skiede
hij / zij / het skiede
wij / we skieden
jullie skieden
zij / ze skieden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij ski
jullie (archaïsch) skiet

Onbepaalde vormen

Infinitief
skiën
Tegenwoordig deelwoord
skiënd
Voltooid deelwoord
geskied

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary