Conjugation of schrokken
/ ˈsxrɔkə(n) /meervoud verleden tijd van schrikken Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | schrok |
| jij / je | schrokt |
| hij / zij / het | schrokt |
| wij / we | schrokken |
| jullie | schrokken |
| zij / ze | schrokken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | schrokte |
| jij / je | schrokte |
| hij / zij / het | schrokte |
| wij / we | schrokten |
| jullie | schrokten |
| zij / ze | schrokten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | schrokke |
| jij / je | schrokke |
| hij / zij / het | schrokke |
| wij / we | schrokken |
| jullie | schrokken |
| zij / ze | schrokken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | schrokte |
| jij / je | schrokte |
| hij / zij / het | schrokte |
| wij / we | schrokten |
| jullie | schrokten |
| zij / ze | schrokten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | schrok |
| jullie (archaïsch) | schrokt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | schrokken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | schrokkend |
Voltooid deelwoord
| — | geschrokt |