Conjugation of schroeven
/ˈsxruvə(n)/vastdraaien van een of meer bouten, met behulp van een schroefdraad vastzetten Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | schroef |
| jij / je | schroeft |
| hij / zij / het | schroeft |
| wij / we | schroeven |
| jullie | schroeven |
| zij / ze | schroeven |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | schroefde |
| jij / je | schroefde |
| hij / zij / het | schroefde |
| wij / we | schroefden |
| jullie | schroefden |
| zij / ze | schroefden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | schroeve |
| jij / je | schroeve |
| hij / zij / het | schroeve |
| wij / we | schroeven |
| jullie | schroeven |
| zij / ze | schroeven |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | schroefde |
| jij / je | schroefde |
| hij / zij / het | schroefde |
| wij / we | schroefden |
| jullie | schroefden |
| zij / ze | schroefden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | schroef |
| jullie (archaïsch) | schroeft |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | schroeven |
Tegenwoordig deelwoord
| — | schroevend |
Voltooid deelwoord
| — | geschroefd |