Conjugation of schrapen
/ˈsxraː.pə(n)/de bovenste laag (met een scherp object) eraf halen, afkrabben Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | schraap |
| jij / je | schraapt |
| hij / zij / het | schraapt |
| wij / we | schrapen |
| jullie | schrapen |
| zij / ze | schrapen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | schraapte |
| jij / je | schraapte |
| hij / zij / het | schraapte |
| wij / we | schraapten |
| jullie | schraapten |
| zij / ze | schraapten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | schrape |
| jij / je | schrape |
| hij / zij / het | schrape |
| wij / we | schrapen |
| jullie | schrapen |
| zij / ze | schrapen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | schraapte |
| jij / je | schraapte |
| hij / zij / het | schraapte |
| wij / we | schraapten |
| jullie | schraapten |
| zij / ze | schraapten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | schraap |
| jullie (archaïsch) | schraapt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | schrapen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | schrapend |
Voltooid deelwoord
| — | geschraapt |