HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← schelen — definición

Conjugation of schelen

Regular CEFR A2
/ˈsxelə(n)/

een verschil maken Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik scheel
jij / je scheelt
hij / zij / het scheelt
wij / we schelen
jullie schelen
zij / ze schelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik scheelde
jij / je scheelde
hij / zij / het scheelde
wij / we scheelden
jullie scheelden
zij / ze scheelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik schele
jij / je schele
hij / zij / het schele
wij / we schelen
jullie schelen
zij / ze schelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik scheelde
jij / je scheelde
hij / zij / het scheelde
wij / we scheelden
jullie scheelden
zij / ze scheelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij scheel
jullie (archaïsch) scheelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
schelen
Tegenwoordig deelwoord
schelend
Voltooid deelwoord
gescheeld

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary