HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← schapen — definition

Conjugation of schapen

Regular CEFR B2
ˈsxaː.pə(n)

doen ontstaan uit niets Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik schaap
jij / je schaapt
hij / zij / het schaapt
wij / we schapen
jullie schapen
zij / ze schapen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik schiep
jij / je schiep
hij / zij / het schiep
wij / we schiepen
jullie schiepen
zij / ze schiepen

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik schape
jij / je schape
hij / zij / het schape
wij / we schapen
jullie schapen
zij / ze schapen
Aanvoegende wijs — verleden
ik schiepe
jij / je schiepe
hij / zij / het schiepe
wij / we schiepen
jullie schiepen
zij / ze schiepen

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij schaap
jullie (archaïsch) schaapt

Onbepaalde vormen

Infinitief
schapen
Tegenwoordig deelwoord
schapend
Voltooid deelwoord
geschapen

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary