HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← sabbelen — definition

Conjugation of sabbelen

Regular CEFR B2
ˈsɑbələ(n)

likken en zuigen aan iets Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik sabbel
jij / je sabbelt
hij / zij / het sabbelt
wij / we sabbelen
jullie sabbelen
zij / ze sabbelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik sabbelde
jij / je sabbelde
hij / zij / het sabbelde
wij / we sabbelden
jullie sabbelden
zij / ze sabbelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik sabbele
jij / je sabbele
hij / zij / het sabbele
wij / we sabbelen
jullie sabbelen
zij / ze sabbelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik sabbelde
jij / je sabbelde
hij / zij / het sabbelde
wij / we sabbelden
jullie sabbelden
zij / ze sabbelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij sabbel
jullie (archaïsch) sabbelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
sabbelen
Tegenwoordig deelwoord
sabbelend
Voltooid deelwoord
gesabbeld

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary