Conjugation of rubriceren
iets of iemand in een rubriek, categorie of klasse onderbrengen of verdelen, groeperen, classificeren Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | rubriceer |
| jij / je | rubriceert |
| hij / zij / het | rubriceert |
| wij / we | rubriceren |
| jullie | rubriceren |
| zij / ze | rubriceren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | rubriceerde |
| jij / je | rubriceerde |
| hij / zij / het | rubriceerde |
| wij / we | rubriceerden |
| jullie | rubriceerden |
| zij / ze | rubriceerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | rubricere |
| jij / je | rubricere |
| hij / zij / het | rubricere |
| wij / we | rubriceren |
| jullie | rubriceren |
| zij / ze | rubriceren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | rubriceerde |
| jij / je | rubriceerde |
| hij / zij / het | rubriceerde |
| wij / we | rubriceerden |
| jullie | rubriceerden |
| zij / ze | rubriceerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | rubriceer |
| jullie (archaïsch) | rubriceert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | rubriceren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | rubricerend |
Voltooid deelwoord
| — | gerubriceerd |