Conjugation of rolschaatsen
/ˈrɔlsxatsə(n)/het zich voortbewegen op ondergebonden wieltjes Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | rolschaats |
| jij / je | rolschaatst |
| hij / zij / het | rolschaatst |
| wij / we | rolschaatsen |
| jullie | rolschaatsen |
| zij / ze | rolschaatsen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | rolschaatste |
| jij / je | rolschaatste |
| hij / zij / het | rolschaatste |
| wij / we | rolschaatsten |
| jullie | rolschaatsten |
| zij / ze | rolschaatsten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | rolschaatse |
| jij / je | rolschaatse |
| hij / zij / het | rolschaatse |
| wij / we | rolschaatsen |
| jullie | rolschaatsen |
| zij / ze | rolschaatsen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | rolschaatste |
| jij / je | rolschaatste |
| hij / zij / het | rolschaatste |
| wij / we | rolschaatsten |
| jullie | rolschaatsten |
| zij / ze | rolschaatsten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | rolschaats |
| jullie (archaïsch) | rolschaatst |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | rolschaatsen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | rolschaatsend |
Voltooid deelwoord
| — | gerolschaatst |