Conjugation of rentenieren
/ˌrɛntəˈnirə(n)/leven van de rente van het kapitaal dat je bezit; niet meer hoeven te werken voor je dagelijks brood Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | rentenier |
| jij / je | renteniert |
| hij / zij / het | renteniert |
| wij / we | rentenieren |
| jullie | rentenieren |
| zij / ze | rentenieren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | rentenierde |
| jij / je | rentenierde |
| hij / zij / het | rentenierde |
| wij / we | rentenierden |
| jullie | rentenierden |
| zij / ze | rentenierden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | renteniere |
| jij / je | renteniere |
| hij / zij / het | renteniere |
| wij / we | rentenieren |
| jullie | rentenieren |
| zij / ze | rentenieren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | rentenierde |
| jij / je | rentenierde |
| hij / zij / het | rentenierde |
| wij / we | rentenierden |
| jullie | rentenierden |
| zij / ze | rentenierden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | rentenier |
| jullie (archaïsch) | renteniert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | rentenieren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | rentenierend |
Voltooid deelwoord
| — | gerentenierd |