Conjugation of radbraken
ˈrɑtˌbraː.kə(n)ter dood brengen door opbinding op een rad en het breken van alle botten in de ledematen gevolgd door een zware slag op de hartstreek Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | radbraak |
| jij / je | radbraakt |
| hij / zij / het | radbraakt |
| wij / we | radbraken |
| jullie | radbraken |
| zij / ze | radbraken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | radbraakte |
| jij / je | radbraakte |
| hij / zij / het | radbraakte |
| wij / we | radbraakten |
| jullie | radbraakten |
| zij / ze | radbraakten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | radbrake |
| jij / je | radbrake |
| hij / zij / het | radbrake |
| wij / we | radbraken |
| jullie | radbraken |
| zij / ze | radbraken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | radbraakte |
| jij / je | radbraakte |
| hij / zij / het | radbraakte |
| wij / we | radbraakten |
| jullie | radbraakten |
| zij / ze | radbraakten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | radbraak |
| jullie (archaïsch) | radbraakt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | radbraken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | radbrakend |
Voltooid deelwoord
| — | geradbraakt |
Practice in context
Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.