Conjugation of raadplegen
/ˈraːtˌpleː.ɣə(n)/een bron van informatie of ervaring aanspreken Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | raadpleeg |
| jij / je | raadpleegt |
| hij / zij / het | raadpleegt |
| wij / we | raadplegen |
| jullie | raadplegen |
| zij / ze | raadplegen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | raadpleegde |
| jij / je | raadpleegde |
| hij / zij / het | raadpleegde |
| wij / we | raadpleegden |
| jullie | raadpleegden |
| zij / ze | raadpleegden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | raadplege |
| jij / je | raadplege |
| hij / zij / het | raadplege |
| wij / we | raadplegen |
| jullie | raadplegen |
| zij / ze | raadplegen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | raadpleegde |
| jij / je | raadpleegde |
| hij / zij / het | raadpleegde |
| wij / we | raadpleegden |
| jullie | raadpleegden |
| zij / ze | raadpleegden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | raadpleeg |
| jullie (archaïsch) | raadpleegt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | raadplegen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | raadplegend |
Voltooid deelwoord
| — | geraadpleegd |