Conjugation of prognosticeren
/ˌprɔxnɔstiˈserə(n)/op basis van kennis en kunde een onderbouwde voorspelling doen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | prognosticeer |
| jij / je | prognosticeert |
| hij / zij / het | prognosticeert |
| wij / we | prognosticeren |
| jullie | prognosticeren |
| zij / ze | prognosticeren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | prognosticeerde |
| jij / je | prognosticeerde |
| hij / zij / het | prognosticeerde |
| wij / we | prognosticeerden |
| jullie | prognosticeerden |
| zij / ze | prognosticeerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | prognosticere |
| jij / je | prognosticere |
| hij / zij / het | prognosticere |
| wij / we | prognosticeren |
| jullie | prognosticeren |
| zij / ze | prognosticeren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | prognosticeerde |
| jij / je | prognosticeerde |
| hij / zij / het | prognosticeerde |
| wij / we | prognosticeerden |
| jullie | prognosticeerden |
| zij / ze | prognosticeerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | prognosticeer |
| jullie (archaïsch) | prognosticeert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | prognosticeren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | prognosticerend |
Voltooid deelwoord
| — | geprognosticeerd |