HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← pralen — definition

Conjugation of pralen

Regular CEFR B1
ˈpraː.lə(n)

of op een andere manier laten schitteren, prachtig vertonen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik praal
jij / je praalt
hij / zij / het praalt
wij / we pralen
jullie pralen
zij / ze pralen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik praalde
jij / je praalde
hij / zij / het praalde
wij / we praalden
jullie praalden
zij / ze praalden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik prale
jij / je prale
hij / zij / het prale
wij / we pralen
jullie pralen
zij / ze pralen
Aanvoegende wijs — verleden
ik praalde
jij / je praalde
hij / zij / het praalde
wij / we praalden
jullie praalden
zij / ze praalden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij praal
jullie (archaïsch) praalt

Onbepaalde vormen

Infinitief
pralen
Tegenwoordig deelwoord
pralend
Voltooid deelwoord
gepraald

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary