HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← plussen — definition

Conjugation of plussen

Regular CEFR B1
ˈplʏ.sə(n)

only used in plussen en minnen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik plus
jij / je plust
hij / zij / het plust
wij / we plussen
jullie plussen
zij / ze plussen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik pluste
jij / je pluste
hij / zij / het pluste
wij / we plusten
jullie plusten
zij / ze plusten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik plusse
jij / je plusse
hij / zij / het plusse
wij / we plussen
jullie plussen
zij / ze plussen
Aanvoegende wijs — verleden
ik pluste
jij / je pluste
hij / zij / het pluste
wij / we plusten
jullie plusten
zij / ze plusten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij plus
jullie (archaïsch) plust

Onbepaalde vormen

Infinitief
plussen
Tegenwoordig deelwoord
plussend
Voltooid deelwoord
geplust

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary