HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← plannen — definition

Conjugation of plannen

Regular CEFR A2
ˈplɑnə(n)

tot een samenhangend geheel van toekomstige activiteiten maken Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik plan
jij / je plant
hij / zij / het plant
wij / we plannen
jullie plannen
zij / ze plannen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik plande
jij / je plande
hij / zij / het plande
wij / we planden
jullie planden
zij / ze planden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik planne
jij / je planne
hij / zij / het planne
wij / we plannen
jullie plannen
zij / ze plannen
Aanvoegende wijs — verleden
ik plande
jij / je plande
hij / zij / het plande
wij / we planden
jullie planden
zij / ze planden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij plan
jullie (archaïsch) plant

Onbepaalde vormen

Infinitief
plannen
Tegenwoordig deelwoord
plannend
Voltooid deelwoord
gepland

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary