HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← plakken — definition

Conjugation of plakken

Regular CEFR C1
ˈplɑ.kə(n)

ergens aan blijven kleven/vastzitten Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik plak
jij / je plakt
hij / zij / het plakt
wij / we plakken
jullie plakken
zij / ze plakken
Verleden tijd (o.v.t.)
ik plakte
jij / je plakte
hij / zij / het plakte
wij / we plakten
jullie plakten
zij / ze plakten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik plakke
jij / je plakke
hij / zij / het plakke
wij / we plakken
jullie plakken
zij / ze plakken
Aanvoegende wijs — verleden
ik plakte
jij / je plakte
hij / zij / het plakte
wij / we plakten
jullie plakten
zij / ze plakten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij plak
jullie (archaïsch) plakt

Onbepaalde vormen

Infinitief
plakken
Tegenwoordig deelwoord
plakkend
Voltooid deelwoord
geplakt

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary