Conjugation of overwerken
/ˈoː.vərˌʋɛr.kə(n)/zich ~: zich afmatten, te veel werken en daardoor de gezondheid benadelen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overwerk |
| jij / je | overwerkt |
| hij / zij / het | overwerkt |
| wij / we | overwerken |
| jullie | overwerken |
| zij / ze | overwerken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overwerkte |
| jij / je | overwerkte |
| hij / zij / het | overwerkte |
| wij / we | overwerkten |
| jullie | overwerkten |
| zij / ze | overwerkten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overwerke |
| jij / je | overwerke |
| hij / zij / het | overwerke |
| wij / we | overwerken |
| jullie | overwerken |
| zij / ze | overwerken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overwerkte |
| jij / je | overwerkte |
| hij / zij / het | overwerkte |
| wij / we | overwerkten |
| jullie | overwerkten |
| zij / ze | overwerkten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overwerk |
| jullie (archaïsch) | overwerkt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overwerken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overwerkend |
Voltooid deelwoord
| — | overwerkt |