Conjugation of overweldigen
/ˌoː.vərˈʋɛl.də.xə(n)/op een prettige manier verbazen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overweldig |
| jij / je | overweldigt |
| hij / zij / het | overweldigt |
| wij / we | overweldigen |
| jullie | overweldigen |
| zij / ze | overweldigen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overweldigde |
| jij / je | overweldigde |
| hij / zij / het | overweldigde |
| wij / we | overweldigden |
| jullie | overweldigden |
| zij / ze | overweldigden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overweldige |
| jij / je | overweldige |
| hij / zij / het | overweldige |
| wij / we | overweldigen |
| jullie | overweldigen |
| zij / ze | overweldigen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overweldigde |
| jij / je | overweldigde |
| hij / zij / het | overweldigde |
| wij / we | overweldigden |
| jullie | overweldigden |
| zij / ze | overweldigden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overweldig |
| jullie (archaïsch) | overweldigt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overweldigen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overweldigend |
Voltooid deelwoord
| — | overweldigd |